_13.2 Tot welke kosten kan een procespartij worden veroordeeld?

De Raad legt in zijn arrest het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die in het ongelijk wordt gesteld.

Deze kosten omvatten het rolrecht, betaald door de verzoekende partij(en) en de eventuele tussenkomende partij(en), en desgevallend ook het getuigengeld en de kosten en erelonen van het onderzoek van de deskundigen en de bemiddelingsvergoeding.

Volgens de huidige rechtspraak van de Raad draagt de tussenkomende partij in beginsel de kosten van haar tussenkomst, ongeacht welke partij ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.

De Raad kan ook, wanneer een partij daar om verzoekt, een rechtsplegingsvergoeding toekennen ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld. Een rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.  

De mogelijke (terug- of in)vordering van deze kosten gebeurt niet via de Raad. De in het gelijk gestelde partij moet deze desgevallend (terug)vorderen van de procespartij die door de Raad veroordeeld werd in de kosten.

Zie ook artikelen 21 en 33 DBRC-decreet en artikelen 20 tot en met 24 Procedurebesluit.