2.4 Aan welke (vorm)vereisten moet mijn verzoekschrift voldoen?

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en door de verzoekende partij(en) of diens raadsman ondertekend.

Wat betreft de vormvereisten bevat het verzoekschrift minstens de volgende gegevens:

  1. De naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoekende partij, de gekozen woonplaats in België, een telefoonnummer en een e-mailadres;
  2. In voorkomend geval, de naam en het adres van de verweerder;
  3. Het voorwerp van het beroep of bezwaar;
  4. Een uiteenzetting van de feiten en de ingeroepen middelen;
  5. Een inventaris van de overtuigingsstukken.

De verzoeker voegt in voorkomend geval de volgende documenten bij het verzoekschrift:

  1. Een afschrift van de bestreden beslissing of een verklaring van de verzoeker dat hij niet in het bezit is van een dergelijk afschrift;
  2. Als de verzoeker een rechtspersoon is en hij geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  3. De schriftelijke volmacht van zijn raadsman als hij geen advocaat is;
  4. De overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.

Daarnaast bevat het verzoekschrift, naargelang het geval, het opschrift:

  1. “verzoek tot vernietiging”;
  2. “verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing”;
  3. “verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid”;
  4. “vordering tot schorsing”;
  5. “vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid”.

In voorkomend geval kan in de gevallen 2 en 5 het opschrift worden aangevuld met “en een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen”.

Daarnaast moet het verzoekschrift het volgende bevatten:

  1. Een omschrijving van het belang van de verzoeker;
  2. In geval van een vordering tot schorsing, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing hoogdringend is;
  3. In geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting van de redenen die, volgens de verzoekende partij die aantonen dat de vordering uiterst dringend noodzakelijk is;
  4. Bij een aanvullende vordering, als de verzoekende partij het kent, het rolnummer waaronder het beroep is ingeschreven.

In geval van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, bevat het verzoekschrift ook:

  1. De beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen;
  2. De uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, veilig te stellen.

Tenslotte voegt de verzoeker, in voorkomend geval, bij het verzoekschrift de overtuigingsstukken die aantonen dat:

  1. de schorsing hoogdringend is;
  2. de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is;
  3. het verzoekschrift tijdig werd ingediend.

Zie ook artikelen 14, 15, 16, 55, 56 en 57 Procedurebesluit.