4.3 Wat als ik als verzoekende partij of tussenkomende partij het rolrecht niet kan betalen bij het indienen van het verzoekschrift?

De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

U richt daartoe een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van uw verzoekschrift of uw verzoekschrift tot tussenkomst.

In het geval van het ontbreken van de bewijsstukken, vraagt de griffier die bij u op.

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van het verzoek door de griffier.

Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld op basis van Koninklijk Besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

De griffier brengt u vervolgens schriftelijk op de hoogte van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht.

De vrijstelling van rolrecht in geval van schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, vindt u onder ‘8 Uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN)’.

Zie ook artikel 21 DBRC-decreet.