6.1 De vereenvoudigde procedure

Wanneer wordt de vereenvoudigde procedure toegepast?

De voorzitter van de Raad of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld.

Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als:

1° het beroep doelloos is;
2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is;
3° de Raad klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen;
4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.

Hoe verloopt de vereenvoudigde procedure?

De voorzitter van de Raad (of de door hem aangewezen bestuursrechter) stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, de Raad klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.

De griffier betekent de beschikking aan de verzoekende partij. De verzoekende partij kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking.

Wat is de uitkomst van de vereenvoudigde procedure?

Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter (of de door hem aangewezen bestuursrechter) de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen. De Raad doet vervolgens uitspraak met een (eind)arrest. De procedure ten gronde wordt niet opgestart.

Als de voorzitter (of de door hem aangewezen bestuursrechter) niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat de Raad klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging.

Zie ook artikel 59/1 Procedurebesluit.

Wat is het gevolg wanneer enkel de vordering tot schorsing onontvankelijk wordt verklaard in de vereenvoudigde procedure en niet het beroep tot vernietiging?

Er volgt meteen een einduitspraak over de vordering tot schorsing.

Indien de verzoekende partij het beroep tot vernietiging alsnog wil verderzetten, krijgt zij nog de kans om een verzoek tot voortzetting in te dienen met betrekking tot de vernietigingsprocedure. De termijn daartoe bedraagt 30 dagen en begint te lopen de dag na de betekening van het arrest met betrekking tot de schorsing.

Zie ook artikel 69 en 72 Procedurebesluit.