7.5 Hoe verloopt de schorsingsprocedure?

Een vordering tot schorsing stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota’s in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.

Nadat de verzoekende partij het rolrecht heeft betaald, beschikt de verwerende partij over een termijn van 20 kalenderdagen om volgende stukken in te dienen:

  1. een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing;
  2. een geïnventariseerd administratief dossier.

Deze termijn van 20 kalenderdagen gaat in de dag na de betekening van het schorsingsverzoek door de griffier van de Raad aan de verwerende partij. De eventuele overtuigingsstukken toegevoegd aan het verzoekschrift kunnen op de griffie worden geraadpleegd.

Na het verstrijken van deze termijn – en na de behandeling van een eventueel verzoek tot tussenkomst – plant de Raad zo spoedig mogelijk een openbare zitting over het schorsingsverzoek in.

De uitnodiging voor de zitting wordt ten laatste 7 dagen vóór de zitting aan de partijen toegestuurd en vermeldt de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing wordt behandeld.

Wanneer de verzoeker noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing door de Raad zonder meer verworpen.

Na het horen van de partijen neemt de Raad de zaak in beraad en doet hij een uitspraak over de vordering tot schorsing.

Zie ook artikelen 62 en 63 Procedurebesluit en artikel 40, §1 DBRC-decreet.